Beste Wim
🎤 Beste Wim — Voordrachtversie
I. Léon
Beste Wim…
Wat vind jij ervan
dat Keizer Naruhito
een krans
komt leggen.
Beste Wim…
Ik herinner me nog —
hoe zal ik het
je nu zeggen.
Beste Wim…
Ooit toch samen
met mijn vader
gingen wij
protesteren
in Amsterdam.
Ging het
waarschijnlijk om
de dader.
Beste Wim…
We zongen toen nog,
ja — zelfs op die ene keer:
“Er leven haast geen mensen meer…”
Die het hebben meegemaakt.
De vijand heeft er toen
ongeveer een derde
afgemaakt.
De kampen bestaan niet meer,
en weg zijn al die cellen.
Er leven nu niet veel mensen meer
die het kunnen navertellen.
Beste Wim…
Men legt er nu
dan toch een krans,
en men ontspringt
nog altijd die dans.
Wanneer vertelt men
nu eens het ware verhaal?
En denkt men dan toch eens,
in plaats van een krans,
aan rechtsherstel
voor ons allemaal.
II. Wim
Beste Léon…
Je vraagt me wat ik vind.
Van die krans.
Van dat bezoek.
Van dat zwijgen
dat maar blijft hangen
als een jas —
zo oud,
werkelijk van toen —
die niemand
durft weg te doen.
Léon, jongen…
Ik hoor je nog naast me staan
op het Leidseplein,
je vader aan de andere kant.
En wij drieën
zongen tegen de nacht in:
“Er leven haast geen mensen meer…”
Jij snapte toen nog niet zo goed
waarover het ging.
En daarna — omdat het moest,
omdat het ons toch ooit zo verging —
“Mens, durf te leven.”
We zongen het
om niet te breken.
We zongen het
om de stilte te verdragen.
Die anders weer
de cellen zou sluiten
waar jullie geschiedenis
nog steeds in opgesloten zit,
waarnaar niemand meer
durft te vragen.
En nu komt er weer een keizer.
Een andere naam.
Een ander gezicht.
Maar dezelfde schaduw
die over de Dam valt,
alsof men iets wonderbaarlijks
verricht.
Alsof een krans genoeg is, Léon…
Een krans is een gebaar,
maar geen antwoord
voor elkaar.
Een krans is een buiging,
maar geen erkenning.
Een krans is een bloem,
maar geen recht.
Het is raar maar waar.
Ik vind
dat men niet moet buigen
voor het verleden
zonder eerst te luisteren
naar wie er nog over zijn —
en wat dat betekent
voor het heden.
Ik vind
dat jouw vader,
en al die vaders,
en al die moeders,
en al die kinderen
die nooit meer thuiskwamen,
méér verdienen
dan een ceremonie
keurig gekleed
met nette handschoenen
en mooie strik.
Rechtsherstel
is geen woord.
Het is een plicht.
En Léon…
ja, zelfs ik.
Jij doet wat zovelen
niet durfden.
Gewoonweg
met jouw stem.
Je dicht.
Je schrijft.
Je gebruikt jouw pen,
jouw herinnering
in het woord.
Je vraagt mij
om antwoord,
maar eigenlijk
heb jij het zelf
al verwoord.
Blijf dichten.
Blijf schrijven, jongen.
Blijf zingen.
Blijf spreken
voor wie het
niet meer kunnen.
En als je weer eens
op het Leidseplein staat,
denk dan aan die avond,
aan jouw vader,
en aan mij —
en zing het nog één keer:
“Mens, durf te leven.
”Voor al die mensen
die wij toch
het beste gunnen.
En helemaal tot slot
Zelfs voor die ene keer
“Er leven haast geen mensen meer”