Wim Kan en mijn vader

Wim Kan en mijn vader

Ik herinner me nog dat ik in het voorjaar ’71 op tienjarige leeftijd samen met mijn vader toch met de trein naar Amsterdam ging. Oom Ed woonde daar in Amsterdam op de Rozengracht. 
 
Echter mijn vader had een dubbele reden om naar Amsterdam te gaan. Aan de ene kant wilde hij graag zijn broer weer zien, maar aan de andere kant ging hij met mij naar een  langgerekt café aan het Leidseplein. Helemaal achter in het café zat een voor mijn vader bekend persoon. 
 
Mijn vader was een rustige, ietwat stille man.
Over de Tweede Wereldoorlog zweeg hij in alle toonaarden, hooguit van zijn nachtmerries was ik getuige.
 
Echter zijn stilte werd spoedig doorbroken.
De ontmoeting was zeer hartelijk en weldra raakten ze  zeer geanimeerd met elkaar in gesprek. Ze wisselden ervaringen uit, werden verdrietig, boos en soms lachten ze met elkaar.
 
Ik zat erbij, vond het zéér bijzonder maar begreep er toen nog weinig van.
 
Plotsklaps begon die goede man – waarvan ik pas veel later wist wie hij was – te zingen van “Ik wil hier niet weg”, “In de kali”, “Er leven haast geen mensen meer” en een parodie op “Mens, durf te leven”.  Mijn vader zong – ik had hem nog nooit horen zingen – deze liederen uit volle borst mee.
 
De laatste kende ik ook, maar dan in de versie van Dirk Witte; het was het lijflied van de familie van mijn moeders kant dat gezongen werd op verjaardagen en feesten, die mijn vader nóóit echt meezong.
 
Aan het einde van de middag reisden we weer terug naar mijn oom. Mijn vader was zeer voldaan. 
 
In de maand oktober 1971 gingen Wim Kan, kampmaat en vriend voor het leven van en mijn vader en ik protesteren tegen het bezoek van Keizer Hirohito.  Kan probeerde nog zijn Burma dagboek en brief aan de keizer te overhandigen, maar deze werden geweigerd.
 
Naast me hing het spandoek “Hirohito go” terwijl hij nèt was gekomen…
 
Pas veel later toen ik aan de slag ging met mijn boek “Vergeten verbinding. De Tweede Wereldoorlog in Zuid-Oost Azië”, de keren dat mijn vader die goede man weer trof, las ik het “Burma dagboek 1942-1945” van Wim Kan.
 
Ook in mijn tweede autobiografische boek “Verborgen kracht”, dat in de maand juni 2026 verscheen,  sta ik uitgebreid stil bij  datgene waarover mijn vader zweeg, eigenlijk niet kon zingen, maar samen met Wim Kan zijn stem plots wist te gebruiken.
 
Wim Kan was dus zijn oude kampmaat en vriend van mijn vader. Samen deelden ze de kampervaringen van het Tjimahi-4 kamp en andere kampen aan de Birma-Siam spoorlijn. 
 
Zo af en toe zing ik zelf de parodie op “Mens, durf te leven” en denk dan even terug aan Wim Kan en mijn vader. En bovendien, het leek een wonder, maar niets en niemand kreeg hem eronder.
 
En vandaag, 17 juni 2026 ben ik zònder hen in Amsterdam getuige van het feit dat Koning Willem-Alexander en Keizer Naruhito een krans op de dam komen leggen. Misschien dat uit de wens van de keizer om de vriendschap te verdiepen tijdens het staatsbanket ‘rechtsherstel’ daarin nog een plek krijgt, want daar zou vriendschap toch echt mee gebaat zijn.